Sterfelijkheid, evolutie en het tijdelijke individu
Kernzin:
Het voortbestaan van de soort lijkt evolutionair belangrijker dan het onbeperkt voortbestaan van het individu.
Na de vraag wat de mens eigenlijk is, worden we onvermijdelijk geconfronteerd met een eigenschap die het gehele menselijke bestaan bepaalt: sterfelijkheid.
Waarom is de mens sterfelijk? En waarom lijkt de natuur zo te zijn ingericht dat levende organismen uiteindelijk verouderen en sterven?
Een belangrijk deel van dit proces speelt zich af op cellulair niveau. Gedurende het leven raken cellen voortdurend beschadigd door interne en externe invloeden. Het lichaam probeert deze schade te herstellen door oude cellen te vervangen door nieuwe.
Bij iedere celdeling wordt genetisch materiaal gekopieerd. Dat kopiëren verloopt echter nooit volledig perfect. Kleine fouten, beschadigingen en functieverliezen stapelen zich geleidelijk op. Na enorme aantallen celdelingen begint het organisme als geheel steeds minder efficiënt te functioneren. Het lichaam “slijt”.
Meer informatie over het verouderingsproces is opgenomen in Appendix 4.2 (Verouderingsproces bij mensen)
Toch roept dit een intrigerende vraag op.
Wanneer een vrouw een kind krijgt, ontstaat opnieuw een organisme dat, ondanks de leeftijd van de ouders, in potentie weer een volledig leven kan doorlopen. Dat lijkt erop te wijzen dat er mechanismen bestaan die in staat zijn relatief “fris” genetisch materiaal voort te brengen.
Waarom gebruikt het lichaam die mechanismen dan niet eenvoudig om zichzelf voortdurend volledig te vernieuwen?
Misschien ligt het antwoord in de manier waarop evolutie werkt.
De mens bestaat vandaag nog steeds omdat de soort zich voortdurend heeft aangepast aan veranderende omstandigheden. Die aanpassing verloopt meestal niet doordat één individu zichzelf fundamenteel verandert, maar doordat over vele generaties steeds nieuwe variaties ontstaan binnen het DNA van de populatie.
Wanneer mensen gedurende lange tijd leven in gebieden met weinig zonlicht, kan een lichtere huid evolutionair voordelig zijn omdat daarmee efficiënter vitamine D wordt aangemaakt. In gebieden met zeer intens zonlicht kan juist een donkerdere huid bescherming bieden tegen schadelijke ultraviolette straling. Op vergelijkbare wijze zijn talloze andere eigenschappen in de loop van de evolutie ontstaan of veranderd.
Deze veranderingen ontstaan doordat iedere nieuwe generatie bestaat uit nieuwe combinaties van genetisch materiaal. Sommige van deze combinaties blijken beter aangepast aan de heersende omstandigheden dan andere. Individuen met relatief gunstige eigenschappen hebben gemiddeld een grotere kans zich voort te planten, waardoor juist die eigenschappen vaker worden doorgegeven aan volgende generaties.
Vanuit dit perspectief lijkt evolutie minder gericht op het behoud van het individuele organisme, en meer op het voortbestaan van de soort via voortdurende variatie, selectie en vernieuwing.
Het individuele menselijke leven is daarmee in evolutionaire zin tijdelijk. De soort blijft bestaan doordat oudere generaties geleidelijk worden vervangen door nieuwe individuen met licht afwijkende genetische combinaties. Evolutie werkt dus niet primair via het permanent aanpassen van één individu, maar via voortdurende vervanging en selectie binnen opeenvolgende generaties.
Misschien is dit evolutionair efficiënter dan het onbeperkt in stand houden van bestaande individuen. Oudere organismen kunnen minder flexibel worden in gedrag, lichamelijke aanpassing of voortplanting, terwijl nieuwe generaties nieuwe genetische mogelijkheden introduceren die beter kunnen aansluiten bij veranderende omstandigheden.
Vanuit dat perspectief lijkt de mens niet zozeer het einddoel van het systeem, maar eerder een tijdelijk vehikel voor het doorgeven en vernieuwen van genetische informatie.
In de natuur bestaan bovendien organismen die een andere evolutionaire strategie lijken te volgen. Sommige soorten platwormen bijvoorbeeld (zie Appendix 4.3 Verouderingsproces bij platwormen) beschikken over sterke regeneratieve vermogens en benaderen daarmee een vorm van functionele onsterfelijkheid.
De mens beschikt niet over dergelijke mogelijkheden op vergelijkbare schaal.
Dat hoeft geen tekortkoming te zijn, maar kan juist samenhangen met een evolutionair systeem waarin voortdurende genetische vernieuwing belangrijker blijkt dan langdurige individuele instandhouding.
De vraag wordt daarmee misschien niet langer waarom de mens sterft, maar waarom het evolutionaire systeem juist afhankelijk lijkt van sterfelijkheid.
Misschien vormt sterfelijkheid geen fout in het systeem, maar een voorwaarde voor voortdurende aanpassing, variatie en evolutie.
En daarmee komen we opnieuw terecht bij een fundamenteel spanningsveld dat niet alleen biologische processen raakt, maar uiteindelijk ook menselijke samenlevingen en morele systemen: het spanningsveld tussen individu en geheel, tussen stabiliteit en verandering, tussen behoud en vernieuwing.